Staatssecretaris Atsma van I&M schrijft antwoord op brief van B&W Nijmegen

29 februari 2012

24 februari 2012 beantwoordt Staatssecretaris Atsma de brief van B&W Nijmegen, van 10 oktober 2011.
Hieronder de brief van Staatssecretaris Joop Atsma van I&M aan B&W
Hieronder een reactie van de werkgroep.
Bekijk ook onze open brief
hierover aan Burgemeester en Wethouders van Nijmegen.
Aan het college van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen
Postbus 9105
6500 HG Nijmegen

Datum 24 februari 2012
Betreft Reactie brief “Nijmegen gentechvrije stad”

Dir-Gen. Milieu en Internationaal Veiligheid en Risico’s
Kenmerk
I&M/BSK-2012/14755

Geacht college,

Bedankt voor uw brief ‘’Nijmegen gentechvrije stad’’. In deze brief deelt u ons mee dat de gemeenteraad het burgerinitiatief ‘Nijmegen gentechvrij’ heeft aangenomen en brengt u de bezwaren van de Nijmeegse bevolking tegen genetisch gemodificeerde gewassen over.

Om er voor te zorgen dat handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), waaronder de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen, op een verantwoorde manier plaatsvinden, is dit onderwerp op Europees en nationaal niveau gereguleerd. Graag wil ik u, mede namens de Staatssecretaris van EL&I, via deze weg informeren over de voorschriften die zijn gesteld om een verantwoord gebruik van ggo’s te waarborgen. Daarbij zal ik ook ingaan op de juridische aspecten van het op lokaal niveau weren van genetisch gemodificeerde gewassen.

Voor handelingen met ggo’s gelden uitvoerige Europese regels 1). De desbetreffende richtlijnen en verordeningen bevatten procedures voor toelating tot de Europese markt van ggo’s. De voorwaarden die daarbij gelden, voorzien in een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Voor wat betreft handelingen in de onderzoeksfase (zogenaamd ingeperkt gebruik en veldproeven) vormen de EU regels een raamwerk voor op nationaal niveau vorm te geven regels. In Nederland is de betreffende Europese regelgeving geïmplementeerd in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer (Besluit ggo). Vergunningaanvragen voor het werken met ggo’s worden op grond van het Besluit ggo beoordeeld op risico’s voor mens en milieu die aan de werkzaamheden verbonden kunnen zijn.

De kern van de toelatingsprocedure van zowel de EU regels als het Besluit ggo wordt gevormd door de milieurisicobeoordeling. Van belang voor de milieurisicobeoordeling zijn o.a. de eigenschappen van het ggo, de eigenschappen van het milieu waar het ggo in wordt geïntroduceerd en de mogelijke interactie die kan optreden tussen het ggo en dat betreffende milieu. In alle gevallen geldt dat de risico’s voor mens en milieu verbonden aan de activiteiten aanvaardbaar moeten zijn. De Commissie Genetische Modificatie (COGEM) verleent technisch wetenschappelijk advies bij deze beoordelingen.

Wanneer een genetisch gemodificeerd gewas eenmaal in de zorgvuldige EU beoordelingsprocedure veilig is bevonden en tot de EU markt is toegelaten, kan het in principe overal binnen het Europees grondgebied worden gebruikt, geteeld en verkocht. Om ongewenste vermenging en daaruit voortvloeiende economische schade te voorkomen kunnen EU lidstaten maatregelen nemen over het naast elkaar bestaan van biologische teelt, conventionele teelt en de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen. Dit wordt co-existentie genoemd. In Nederland zijn co-existentieafspraken vastgelegd in een verordening van het Productschap Akkerbouw. Met deze afspraken wordt o.a. gewaarborgd dat ongewenste vermenging van toegelaten en vergunde genetisch gemodificeerde gewassen met biologische en gangbare gewassen en de mogelijke daaruit voortvloeiende directe economische schade, wordt voorkomen.

De zorgvuldige veiligheidsbeoordeling en de co-existentiemaatregelen bieden tezamen voldoende waarborgen voor de verantwoorde teelt van genetisch gemodificeerde gewassen. Ik vind daarom het uitroepen van ggo-vrije gebieden niet nodig.

Daarbij merk ik op dat de toelating van ggo’s door de eerder genoemde Europese regelgeving volledig geharmoniseerd is. Daardoor is er voor lidstaten geen ruimte om de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen te beperken of verbieden, anders dan binnen de door de Europese regelgeving geboden ruimte. De ruimte die de Europese regelgeving biedt om de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen te reguleren, ligt met name op het terrein van co-existentie. Zoals ik hierboven al aangaf, wordt deze ruimte ingevuld door de verordening van het Productschap Akkerbouw.

Overigens wordt op dit moment in de EU onderhandeld over een voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG die lidstaten nieuwe mogelijkheden kan bieden om de teelt van toegelaten genetisch gemodificeerde gewassen op hun grondgebied te beperken of te verbieden. De Tweede Kamer heeft een motie 2) aangenomen die de regering verzoekt ervoor te pleiten dat maatregelen die in de toekomst op basis van dat voorstel zouden kunnen worden genomen, voor het gehele grondgebied van een lidstaat dienen te gelden.

Hiermee geeft de Tweede Kamer aan dat de uitzonderingsmogelijkheid voor het gehele grondgebied moet gelden en niet voor de regio’s.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

Joop Atsma

1) Belangrijkste EU ggo regels: richtlijn 2001/18/EG, verordening 1829/2003/EG, verordening 2009/41/EG.

2) Kamerstukken II, 2010–2011, 27 428, nr. 199.

Vooraf: de Staatssecretaris bezigt vrijwel steeds de term ggo’s, terwijl toch in de bijlage  die hij heeft ontvangen expliciet alleen de toelating van genetisch gemodificeerde gewassen (ggg’s) ter discussie wordt gesteld, en de risico’s daaraan verbonden bij gebruik in de landbouw.

De Staatssecretaris neemt voor kennisgeving aan dat 4000 Nijmeegse burgers een uitspraak hebben gedaan met betrekking tot hun ontevredenheid over de houding die de nationale overheid aanneemt ten aanzien van de introductie van ggg’s. Hij stapt ook heen over het feit dat de ontevredenheid van zoveel Nijmeegse burgers wordt gedeeld door 61% van de Europese burgers, getuige de Eurobarometer die de EU in oktober 2010 heeft uitgebracht over dit onderwerp (Winds of Change).

Hiermee is de toon van zijn antwoord aan B&W gezet: in het verdere verloop van de brief wordt breed uitgemeten hoe verantwoord en veilig handelingen met ggo’s wel kunnen plaatsvinden, nu dit onderwerp op nationaal en Europees niveau is gereguleerd. Alsof dat ook maar iets zegt over de kwaliteit van de opgestelde regels!
‘De voorwaarden die daarbij gelden, voorzien in een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu’ zo meldt Atsma tevreden over de procedures die gelden voor toelating van ggg’s tot de Europese markt. In de ogen van de werkgroep Burgers voor gentechvrij voedsel legt hij daarmee de vinger precies op de zere plek: de geldende regels zijn juist géén garantie voor de veiligheid van mens en milieu en dienen hoognodig ter discussie te worden gesteld, voordat er grote aantallen ggg’s het veld op komen draven, die, zoals Prof. Huberook laat zien, de nodige gebreken vertonen.

Een belangrijk probleem in dit verband is de EFSA (de instantie voor voedselveiligheid, die voor Europa de risicobeoordelingen opstelt), omdat de onafhankelijkheid van dit instituut al jaren punt van discussie is voor een aantal lidstaten. Helaas hoort Nederland daar niet bij; in Nederland is alles erop gericht onder het zingen van innovatiemantra’s zoveel mogelijk ggg’s zo snel mogelijk toegelaten te krijgen en komt het dus minder goed uit de ggg’s die op de nominatie staan voor goedkeuring nu eens kritisch te gaan bekijken. De rebellerende lidstaten daarentegen verwijten het EFSA-instituut veel te weinig moeite te doen om de risicobeoordelingen die door de aanvragende bedrijven zelf worden opgesteld, tegen het licht te houden en daar ook eens wat onafhankelijke rapporten naast te leggen. De kern van de milierisicobeoordeling in Europa roept dus al vragen op. Hoe kan Europa hier nu ooit de toepassing van het voorzorgsbeginsel op baseren?

‘In alle gevallen geldt dat de risico’s voor mens en milieu verbonden aan de activiteiten aanvaardbaar moeten zijn”, zo theoretiseert  Atsma nog even verder. Hij laat echter nergens blijken dat hij zich in de praktijk op de hoogte heeft gesteld van de interacties tussen de ggo’s en het milieu die zich met name in de VS al voordoen, dankzij een agro-industrie die in het grijze gebied tussen regering en bedrijfsleven kwistig met miljoenen strooiend alle kansen krijgt de regeltjes voor de toelating van ggg’s naar believen te versoepelen. De USDA (Ministerie van Landbouw in de VS) heeft nu zelfs bedacht dat de agro-industrie ook zijn eigen milieueffectrapportages mag schrijven. Laat het even voldoende zijn om alle resistentie-problemen optredend bij onkruiden en insecten in de gentechlandbouw te vermelden, en de eerste meldingen in de medische literatuur dat toxines afkomstig van ggg’s gewoon kunnen worden aangetoond in het bloed van bevolkingsgroepen die helemaal niets met gg-landbouw van doen hebben.

De stelling van Atsma dat met de zogeheten coëxistentieafspraken wordt voorkomen dat ongewenste vermenging van toegelaten en vergunde ggg’s met biologische en gangbare gewassen wordt voorkomen evenals de mogelijke daaruit voortvloeiende directe economische schade, berust nergens op. In werkelijkheid is  coëxistentie niet mogelijk, wanneer men bedenkt dat die alleen gegarandeerd is als die berust op het fysiek tegenhouden van stuifmeel, bijen en niet te vergeten het wegtransport van de geproduceerde gg-voedingsmiddelen. Wellicht kan de Staatssecretaris een weekje Spanje inlassen, om met eigen ogen te ontdekken hoe moeilijk het is om ggg’s gescheiden te houden van biologische en reguliere landbouw, en hoeveel schade het toebrengt aan biologische boeren, die gewoon uit hun beroep worden gedrukt door de economische gevolgen.

Ons inziens is er overigens wel degelijk ruimte voor lokale beschermingsmaatregelen, als men Artikel 26bis (nieuw) van de Richtlijn 2001/18/EG erbij pakt en de conclusies 15 t/m 18 van de Milieu Raad van 4 december 2008, waarin het mandaat voor het instellen van ggo-vrije zones langs kwetsbare (natuur)gebieden heel duidelijk wordt onderstreept.

Is het trouwens niet curieus dat er juist op dit moment in de EU wordt onderhandeld over wijziging van die Richtlijn 2001/18/EG? Waarom zou dat nodig gevonden worden als het waar is dat die Europese regelingen zo goed in elkaar steken?

Wij denken meer dan ooit tevoren dat het aannemen van een burgerinitiatief broodnodig was, als men het zelfgenoegzame en niet ter zake doende antwoord bekijkt dat de Staatssecretaris nu aan B&W van Nijmegen heeft gezonden. ‘Hoe voorkom ik dat ik in Nijmegen een zinnige discussie moet voeren’, zal hij gedacht hebben.

Laat de heer Atsma zich nu eens serieus gaan beraden over de vraag of wij in Europa hetzelfde recept voor disaster moeten overnemen dat de multinationals al omstandig in Amerika voor ons hebben uitgeprobeerd. President Obama volstaat bij dit alles met toekijken hoe de klasse van kleine boeren wordt vermalen door een agro-industrie die alsmaar meer geld nodig heeft. Zijn beloftes over etiketteren van ggo-voedsel lijkt hij na zijn verkiezing glad vergeten te zijn.

Denkt de heer Atsma nu echt dat onze boeren in Europa van de agro-multinationals een  gentleman-behandeling gaan krijgen als deze bedrijven ook in Europa hun patentrechten komen verzilveren? Wij wilden hem wijzer hebben; de manier waarop de staatssecretaris even door Monsanto in de beklaagdenbank wordt gezet als hun bestrijdingsmiddel Roundup na een motie van de 2e Kamer verboden dreigt te gaan worden, spreekt boekdelen. En dan gaat het alleen nog maar over particulier gebruik!

De werkgroep