Bt-katoen creëert ook in China problemen met resistente insecten

18 mei 2010

Na het debâcle met Bt-katoen in India is China nu aan de beurt voor wat vergelijkbare problemen.
Volgens een wetenschappelijk artikel in het toonaangevende blad Science veroorzaakt de wantsensoort  Heteroptera Miridae op het moment in Noord-China grote problemen in landbouwgewassen zoals dadels, appels en peren, terwijl de feitelijke verspreidingshaarden van de wantsen zich bevinden in percelen met genetisch gemodificeerde Bt-katoen. Deze gg-katoen produceert het Bt-toxine, dat sommige insecten kan doden of afstoten. Het areaal in kwestie bedraagt 3 miljoen hectare, verdeeld over 10 miljoen boeren. Dat is per boer gemiddeld 0.3 ha, ofwel een veldje van 30 bij 100 meter (niet echt de grote jongens, dus). Laatstgenoemde observatie is van belang om te beseffen dat de meeste kleine boeren niet in staat zijn om daad(kapitaal)krachtig te reageren op deze bedreiging van hun opbrengsten.

Het geeft de wetenschappers aanleiding om aan te dringen op een veel kritischer kijk op het onderzoek naar de milieueffecten van genetisch gemodificeerde gewassen (ggg’s). Ze stellen dat  “Als die gewassen zo gemanipuleerd worden dat ze oneetbaar worden voor bepaalde insecten, dan moet goed onderzocht worden wat de impact daarvan is voor andere gewassen”. Zie verder het artikel op www.ipsnews.be

Wat in het artikel onbesproken blijft, is dat de wantsen die van de Bt-katoen overspringen op andere gewassen, ook wel eens resistent geworden zouden kunnen zijn tegen Bt-toxines. Dat is al eerder vertoond en kan ook bijna niet anders, want de wantsen hebben de Bt-katoen niet voor niets uitgekozen als hun uitvalsbasis. Wat zou daar nu de reden van kunnen zijn? Een mogelijke oorzaak zou kunnen liggen in een gebrekkige vorm van IRM die in de Bt-katoen wordt toegepast (IRM staat voor Insect Resistance Management en is een beheersvorm bedoeld om de ontwikkeling van Bt-resistentie bij insecten binnen de perken te houden). Deze beheersvorm houdt in dat een gedeelte van het veld waar een Bt-gewas op staat, wordt beplant met een gangbare variëteit die GEEN afweerstoffen tegen insecten produceert. Een dergelijk Bt-vrij gedeelte wordt dan een IRM refuge genoemd

Nu werd het bij de eerste commerciële Bt-gewassen in eerste instantie noodzakelijk geacht door de EPA (de Environmental Protection Agency, het milieubureau in de VS)  dat zo’n 20% van het perceel zou moeten fungeren als IRM refuge en dus zou moeten worden beplant met een Bt-vrije variëteit. Bij het verbouwen van andere, nieuwere (“stacked”) Bt-gewassen zou het oppervlak van zo’n IRM refuge teruggebracht kunnen worden van 20% naar lagere waarden (soms maar 5%), afhankelijk van omgevingsfactoren en de aanwezige insectenpopulatie. Aldus de EPA.

Binnen de EPA geldt dus de mening dat het instellen van een Bt-vrije zone een noodzakelijke maatregel is met het oog op het beperken van de resistentie die zich -onvermijdelijk- gaat ontwikkelen bij insecten die in aanraking komen met het Bt-toxine. Er kleven echter de nodige bezwaren aan deze vorm van IRM.  Los van de vraag of deze maatregel in theorie afdoende is (de om zich heen grijpende insect-resistenties in de VS, India en nu China lijken dit tegen te spreken) maakt deze EPA-eis in ontwikkelingslanden ook aanmerkelijk minder indruk dan in de VS, of is gewoon helemaal niet bekend. Daarnaast lijkt er ook een groot praktisch bezwaar mee te spelen: de boeren in de VS blijken over het algemeen niet erg bereid een gedeelte van hun veld met een Bt-vrije soort te beplanten. Dat is gewoon extra werk. Bovendien is hun door Monsanto c.s. net voorgespiegeld dat een Bt-variëteit meer opbrengst levert, en nu zouden ze op een gedeelte van het veld weer met een lagere opbrengst genoegen moeten nemen?! Mooi niet! Zie verder het rapport Complacency on the farm with IRM van het Center for Science in the Public Interest (CSPI).

Het zeer in het oog springende resultaat van dit alles is dat de insect-resistentie tegen Bt-toxines in de wereld hand over hand toeneemt, en dat Bt-gewasssen dus gaan fungeren als lanceerplaatsen voor insecten die niet alleen soepel overspringen op andere gewassen, maar ondertussen ook zijn gewapend met een Bt-resistentie. Ziehier wat er in China gebeurt met de wantsensoort Heteroptera Miridae.

Het resistentieprobleem in India betreft in de eerste plaats de pink bollworm in Bt-katoen, die weliswaar niet overspringt op vruchtbomen, maar het wel nodig maakt dat toch weer (en steeds giftigere) insecticiden moeten worden toegepast op de Bt-katoen, die nou net ontworpen was om insecticide-vrij te kunnen telen! Monsanto heeft ondertussen toegegeven dat de genetisch gemodificeerde Bt-katoen in India zijn doel voorbij is geschoten en veel leed heeft aangericht bij kleine Indiase boeren. Monsanto heeft echter nog geen oplossing gevonden voor de vraag hoe je alle mogelijke insecten met een klein aantal veranderde genen kunt weghouden uit de katoen. Het lijkt er ondertussen op dat een aantal insecten óf resistent wordt tegen het Bt-toxine, óf zijn heil op andere gewassen zoekt, óf allebei.
Het probleem wordt dus niet kleiner, maar groter en verspreidt zich over meerdere gewassen.

De moraal van dit hele verhaal: áls het instellen van een IRM refuge (Bt-vrije zone) al een oplossing zou vormen voor het resistentie-probleem van insecten in Bt-katoen (wat wij niet verwachten), dan zou het handhaven van deze eis toch een belangrijke voorwaarde zijn voor het succesvol verbouwen van Bt-katoen. Als nu in de praktijk blijkt dat hoogtechnologische boeren in de VS al lak hebben aan het instellen van een Bt-vrije zone, hoe zouden hun eenvoudige broeders in India en China zich daar dan wél aan moeten houden? Al met al levert het ontwikkelen van nieuwe insect-resistente gewassen dus steeds meer resistente insecten op; hetzelfde probleem in een nieuw jasje, zogezegd. De wet van behoud van ellende geldt ook hier. Conclusie: Monsanto draait rond in cirkeltjes, noodzaakt boeren tot het gebruik van steeds zwaardere pesticiden en sleept ondertussen de boerenstand de afgrond in.

En voor de goede orde: Bt-katoen kent niet alleen het probleem van resistente insecten, maar ook de algemene weerstand van Bt-variëteiten tegen ziekten laat nogal eens te wensen over. Gevolg: er treden ziektes op in Bt-katoen die er voorheen niet waren. Dus niet alleen de wet van behoud van ellende gaat hier op, maar ook de wet van Murphy: wat er fout kán gaan, gaat ook inderdaad fout.