VN-rapport: eco landbouw is de meest reële oplossing v/h wereld-voedselvraagstuk

18 maart 2011

Op dinsdag 8 maart werd het jaarlijkse rapport over agro-ecologie (eco-landbouw in de wandeling) en het recht op voedsel gepresenteerd bij de VN-Mensenrechtenraad in Genève. Olivier De Schutter, deOlivier speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel,  zei na afloop van de presentatie dat ecologische landbouw de voedselproductie in sommige regio’s binnen tien jaar kan verdubbelen en tegelijkertijd de klimaatverandering tegengaan. ‘Een snelle overstap naar ‘eco-landbouw’  is de enige manier om een einde te maken aan honger en iets te doen tegen klimaatverandering’, zo zei hij. De Schutter treedt daarmee in de voetsporen van Vandana Shiva, die ons al  een kleine 30 jaar de voordelen van dit systeem probeert duidelijk te maken.

Eco-landbouw maakt niet gebruik van veel externe inputs, die arme boeren in ontwikkelingslanden toch niet kunnen betalen. Het systeem gebruikt ook geen hybride zaden die elk jaar opnieuw moeten worden aangeschaft bij een zaadhandelaar. In plaats daarvan benut eco-landbouw op traditionele wijze de lokale zaden, die van generatie op generatie door de boeren zelf zijn ontwikkeld en doorgegeven en gedurende eeuwen optimaal zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Die zaden worden toegepast samen met de lokale kennis over het combineren van planten, bomen en dieren, om daarmee de productiviteit te verhogen, in plaats van met kunstmest. Uit deze beschrijving komt het beeld naar voren van een uiterst kosteneffectieve landbouw, die nauwgezet de kringlopen sluit en dus zeer respectvol omgaat met de natuurlijke hulpbronnen. Met andere woorden: zeer geschikt voor  kleine boeren in arme landen (en zeker niet minder voor gemotiveerde landbouwers in het Westen). “Bij 44 projecten in 20 landen in Afrika ten zuiden van de Sahara, steeg de opbrengst door deze technieken binnen drie tot tien jaar tijd met 214 procent. Dat is veel meer dan met genetisch veranderde gewassen ooit is bereikt.” vertelt De Schutter.

Andere recente wetenschappelijke experimenten toonden aan dat kleine boeren in 57 landen die agro-ecologische technieken gebruikten, hun opbrengst gemiddeld met 80 procent zagen stijgen. In Afrika was de gemiddelde stijging 116 procent.

Niet-duurzaam
De resultaten van het rapport staan lijnrecht tegenover de promotionele praatjes die gentech-multinationals plegen te houden over de rol van genetisch gemodificeerde gewassen in de oplossing van het wereldvoedselvraagstuk . De ‘Gene’ Revolution van de gentech-multinationals is een logisch maar droevig vervolg op de ‘Green Revolution’, waarin traditionele gewassen voor de industriële landbouw werden ‘veredeld’ tot de High Yielding Varieties, die eigenlijk beter High Response Varieties hadden kunnen heten. Ze werden niet aangepast omdat ze te weinig opbrachten, maar louter om te kunnen reageren op hoge doses kunstmest en pesticiden. Het idee dat gewassen die eeuwenlang hadden voldaan opeens moesten worden aangepast aan de behoeftes van chemicaliën verkopende bedrijven is dus zeker niet afkomstig van Monsanto.
Luister hiervoor verder naar het verhaal van Vandana Shiva, die ingaat op de ‘zegen’ van de Groene Revolutie, ontsproten uit geestelijke monocultures. Ook zij verzet zich tegen het concept van de industriële landbouw, die met hybride zaden, kunstmest, machines, pesticiden en irrigatiewater gaat slepen om snelle resultaten af te dwingen van de belangrijkste productiefactor: de bodem. Het feit dat arme boeren zo’n stortvloed aan inputs niet kunnen betalen (en vaak ook niet beheren) betekent dat het systeem alleen kan draaien op subsidies en externe begeleiding. Dat is natuurlijk leuk voor ingenieursbureaus, maar dit vormt op zichzelf al een reden dat deze industriële benadering niet duurzaam is. Minstens zo belangrijk echter is, dat industriële landbouw jaar in jaar uit verkwistend omspringt met inputs, waardoor de voetafdruk (carbon foot print) van voedsel dat op een dergelijke manier is verbouwd veel te groot wordt. Dit is, zeker voor een ontwikkelingsland, zeer onwenselijk omdat met een zodanig gebruik van dure inputs het paard macro-economisch gezien achter de ontwikkelingswagen wordt gespannen.
Tenslotte is er nog de vraag of het voedsel dat op deze industriële wijze uit de grond wordt gestampt nog als volwaardig kan worden beschouwd, wanneer het nauwelijks nog sporenelementen bevat die met de hoge groeisnelheden van de moderne gewassen niet meer door de bodem kunnen worden meegeleverd, of gefixeerd zijn geraakt onder invloed van bestrijdingsmiddelen. Dit is de vraag die eigenlijk voortdurend door de biologische landbouw wordt gesteld aan de industriële landbouw, maar nooit wordt beantwoord omdat het in de industriële landbouw niet over volwaardig voedsel gaat, maar om volumes, kwantiteit en snelheid.

De snelle stijgingen die initieel worden afgedwongen met het gebruik van hybride zaden en kunstmest blijven niet zonder gevolgen voor de bodem waarop zij geteeld worden; dit is een van de redenen waarom industriële landbouw niet duurzaam is. De gentech-landbouw zet bovenop alle nadelen die de industriële landbouw al heeft, nog eens een exponentieel toenemende milieubelasting door verhoogd pesticidegebruik, plus een monopolisering van de zaadhandel, die in de hand wordt gewerkt door patenten op zaden.

Het wordt nog erger, als men bedenkt dat de AGRA (Alliance for a Green Revolution in Africa) die zich met subsidiëring van industriële landbouwprojecten bezig houdt, wordt gesteund door organisaties als de Foundation van Bill Gates en de Rockefeller Foundation. Hun innige samenwerking met Monsanto is ondertussen bekend, evenals het ‘doneren’ van genetisch gemodificeerde zaden in dit soort situaties. Denk in dit verband ook aan de ‘donatie’ aan Haïti na de aardbevingsramp. Een wel zeer bedenkelijke manier om ggg’s te verspreiden in landen die daarmee alleen maar in grote ellende verzeild raken. Malawi wordt genoemd als AGRA-succesverhaal in het kader van de genoemde subsidie-projecten. Het land realiseerde zich echter dat het niet afhankelijk kan blijven van die subsidies en verzet de bakens nu in de richting van agro-ecologie. “De regering van Malawi subsidieert nu boeren die stikstofbindende bomen op hun land planten die zorgen voor duurzame groei in de maïsproductie”, zegt De Schutter.

Scepsis
De Schutter zegt dat AGRA snelle resultaten wil en die ook krijgt. De industriële benadering stelt het maximaliseren van efficiëntie en opbrengst centraal. Maar de manier waarop de resultaten worden verkregen is niet duurzaam en zeker niet kosten-effectief, wanneer men de werkelijke kosten van het industriële proces als geheel in beschouwing neemt. Het systeem is zeer afhankelijk van goedkope fossiele brandstoffen en legt geen rekenschap af voor de degradatie van het milieu, bodem en andere negatieve effecten. Een van die effecten is de klimaatverandering. “Je kunt gerust stellen dat tussen 45 en 50 procent van alle menselijke uitstoot van broeikasgassen veroorzaakt wordt door de huidige methoden van industriële voedselproductie”, zegt De Schutter. Het is volgens hem moeilijk om AGRA-voorstanders te overtuigen van de effectiviteit van agro-ecologie, ondanks het feit dat het bewijs daarvoor zich opstapelt. “Ik verwacht veel scepsis ten aanzien van deze oplossingen omdat ze niet in het dominante paradigma passen”, zegt hij.

Met eco-landbouw kan meer voedsel geproduceerd worden, terwijl er tegelijkertijd sprake is van maar een fractie van de huidige uitstoot.

Wat eco-landbouw wel veronderstelt, is goede lokale kennis en momenteel zijn er maar een paar landen, zoals Brazilië en Benin, waar trainingen beschikbaar zijn voor boeren. “Particuliere bedrijven zullen er geen geld en tijd in investeren, omdat ze er geen patenten en nieuwe afzetmarkten voor chemische producten of ‘verbeterde’ zaden voor terugkrijgen. Maar als we onze manier van voedsel produceren niet drastisch veranderen, zullen we de miljarden hongerenden nooit kunnen voeden”, waarschuwt De Schutter. “En ook onszelf niet in de toekomst.”

Vrije adaptatie van het artikel in: http://www.mo.be