Twijfel groeit over veiligheid van gengemodificeerde voedselgewassen

20 augustus 2010

Bt brinjalHet aantal berichten over de twijfels die rijzen omtrent de veiligheid van gg-voedselgewassen neemt toe.
Philippijnen
De Philippijnse milieuorganisatie ‘Go Organic Philippines’ met in haar kielzog andere organisaties plaatst vraagtekens bij het tijdstip (2011) waarop voedsel met gg-ingrediënten in de handel zou worden gebracht, zonder dat mogelijke risico’s wetenschappelijk eerst zijn uitgesloten. De Philippijnse secretaris van landbouw Alcala, wil nu bv. de commerciële productie van Bt-aubergines*) in het land verbieden. Ook de actiegroep ECT heeft bij monde van Elenita Dano betreurd dat de Philippijnen haast maken met de commercialisering van de teelt, in plaats van voorzichtigheid te betrachten. Bron: www.agf.nl

India
De genetisch gemodificeerde aubergine werd tussen 2005  en 2007 ontwikkeld door Mahyco, een Indiase dochteronderneming van Monsanto. De Bt-aubergine is in India bekend als de Bt-brinjal en heeft daar al de nodige repercussies veroorzaakt, zoals een competentiestrijd tussen de milieuminister Ramesh (die net zoals de Philippijnse landbouwsecretaris Alcala nu, de toelating van de Bt-brinjal onder druk van boeren en milieuactivisten op losse schroeven zette) en de landbouwminister Sharad Pawar. De inzet: het ontbreken van deugdelijk onderzoek naar de veiligheid van de Bt-brinjal.

Nederland
Ook in ons land worden weliswaar twijfels uitgesproken over de veiligheid van gg-voedselgewassen (voor de gg-suikerbiet H7-1 verwoord door COGEM), maar in hetzelfde advies, aan minister Cramer van VROM (26/10/09), lezen we echter ook de geruststellende mededeling: ‘Daarnaast zijn er andere herbiciden beschikbaar die gebruikt kunnen worden om glyfosaattolerante bietensoorten te bestrijden’. Met andere woorden:
– eerst ga je een multinational de vrije hand geven om tegen enorme kosten een plantencel te fabrieken die blijft functioneren na het inbrengen van vreemd DNA,
– dan die verknipte cel laten uitgroeien tot een plant die zaad kan produceren,
– dan voldoende zaad produceren om veldproeven te gaan doen (geld speelt geen rol, jonge vriend),
– dan nog een paar miljoen uitgeven om het nieuwe gewas goedgekeurd te krijgen bij de Europese Commissie,
– vervolgens constateren dat het vreemde gen zich ook in het wild verspreidt,
– waarna de COGEM gaat roepen dat er gelukkig nog andere herbiciden zijn om de resistent geworden planten weer te bestrijden (dat laatste kost ook weer een paar centen).
Welk een verpletterend eenvoudige oplossing, COGEM! Je moet er maar op komen! Wij leiden er uit af dat de COGEM het kennelijk niet erg vindt om herbicide-resistentie aan te wakkeren, zolang je maar een ander middel achter de hand hebt. Het lijkt er bijna op of herbicide spuiten het ultieme doel is van de industriële landbouw! Het resultaat daarvan is echter wel een kettingreactie van herbicide-resistenties, en een boerenstand (en dus ook de consument) die vervolgens mag gaan betalen voor de miljarden die multinationals op bovenbeschreven wijze over de balk hebben gegooid om een inferieur en milieugevaarlijk product in de markt te zetten. Als toetje na dit alles mogen de boeren die zich lieten overhalen/manipuleren om RR-gewassen te zaaien, ook nog even (op eigen kosten) de resistent geworden onkruiden/bieten gaan verwijderen die niet meer reageren op Roundup,  Liberty of alle andere bestrijdingsmiddelen die daarna nog zullen komen.

Conclusies
Wanneer we lezen in het COGEM-rapport over de H7-1 (zie boven) dat deze gg-suikerbiet kan uitkruisen met andere geteelde variëteiten en met de wilde zeebiet, en we plaatsen dat bericht naast het nieuws over de zich uitbreidende herbicide-resistentie onder wilde koolzaad- en raapzaadsoorten, dan is het geen grote gedachtensprong meer naar verdere verspreiding van de herbicide-resistentie, over andere soorten die kunnen uitkruisen met de wilde zeebiet. Kortom: er is altijd wel weer een bruggetje naar andere soorten, en de vraag is niet OF, maar WANNEER het volgende bruggetje wordt gepasseerd. Alles hangt met alles samen.

Het is dit verspreidingsproces dat niet alleen garant staat voor het overspringen van resistent DNA tussen verschillende soorten, maar dat ook de oorzaak zal zijn van een steeds schaarser worden van het reservoir van wilde soorten die niet zijn besmet met het resistente DNA en door kwekers over de hele wereld kunnen worden gebruikt om variëteiten te ontwikkelen voor bijvoorbeeld de biologische en reguliere landbouw.

Bijkomstigheden….(?)
Alsof het bovenstaande nog niet kwalijk genoeg is, komt daar nog eens bovenop dat er nog andere gemodificeerde eigenschappen zijn, die zich OOK verspreiden. Het zijn juist de ongewilde veranderingen**) in genetisch gemodificeerde planten waar geen enkele multinational over wil spreken, maar die wel als verstekeling zijn meegereisd met de door Monsanto of Bayer zo opgehemelde herbicide-resistentie. Het  zijn juist deze veranderingen, die wél maken dat gg-voedselgewassen zich buiten het laboratorium aanmerkelijk minder betrouwbaar gedragen dan hun ongemodificeerde voorouders. Het zijn ook deze ongecontroleerde modificatie-effecten die lijken te wijzen in de richting van de gezondheidheidsschade die zoogdieren (en hun embryo’s) oplopen wanneer ze op een dieet van gg-voedselgewassen zijn gezet. Het is dus ook niet zo gek dat de consument gaat vragen welke -tot dusverre- onverklaarbare moderne ziektebeelden misschien nog meer in verband kunnen worden gebracht met de consumptie van gg-voedselproducten. De consument wil nu eindelijk wel eens weten hoe groot die risico’s voor de mens zijn en vraagt zich daarom af waarom overheden niet de hoogste prioriteit geven aan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar aard en feitelijke omvang van deze risico’s.

Waar wachten we nog op?
We wachten nu bijvoorbeeld nog op nieuws over herbicide-resistentie die zal worden aangetroffen bij wilde verwanten van de sojaboon (Glycine max), een lid van de familie der Vlinderbloemigen. En aangezien dit stukje alweer een beetje te lang wordt, zullen we hier niet dieper ingaan op de Amflora, een gg-aardappel  die wordt geteeld voor de zetmeelproductie, maar waarvan de plantenresten (compleet met een antibiotica-resistent marker-gen) aan het vee zullen worden gevoerd waar wij dan weer gezellig vlees van gaan eten. Per slot van rekening hoeven we volgens de COGEM ook niet bang te zijn voor uitkruising met andere aardappelsoorten over meer dan 3 m afstand, en bovendien heeft Eurocommissaris John Dalli de goedkeuring van de Amflora-pieper toch al door de EC heen gejast, dus waar zeuren we nog over?

~~~~~~~~~~~~~~

*) Bt staat voor Bacillus thuringiensis, een bacterie waarvan een bepaald gen in staat is eiwitten aan te maken die dodelijk zijn of afschrikwekkend voor bepaalde insecten die leven op voedselgewassen zoals mais, soja of aubergine. Wanneer een dergelijk gen wordt ‘ingebouwd’ in het voedselgewas, behoeft er in eerste instantie niet meer gespoten te worden met insecticide om de ongewenste insecten te weren. Helaas is het zo dat die ongewenste insecten niet stilzitten, en in de volgende generaties snel resistentie opbouwen tegen het gif dat door het Bt-gen wordt geproduceerd. Om even de gedachten te bepalen: fruitvliegjes Drosophila spp.) hebben maar 8 á 11 dagen nodig om volwassen te worden, kunnen 2 maanden in leven blijven en leggen zo’n 400 á 900 eitjes per keer. Nu is het wel zo dat de voortplantingscyclus bij grotere insecten langer duurt dan 11 dagen, maar toch is in India en China de opkomende Bt-resistentie al een wijdverbreid probleem aan het worden, dat de boeren noopt om toch weer met insecticiden aan de gang te gaan. Het verschil met voorheen is echter, dat bestrijdingsmiddelen nu veel giftiger moeten zijn om hetzelfde effect te kunnen bereiken.
Van de regen in de drup geraken, noemen we dat in het Nederlands.

**) Deze ongewilde veranderingen hangen samen met de onbestuurbaarheid van het modificatieproces. Het nieuwe gen (feitelijk een stukje van een DNA-kralenketting), wordt op willekeurige plaatsen bij het DNA van de ontvangende plantencel  “naar binnen geslingerd” tijdens het proces van de genetische modificatie. Wanneer men  daarbij de methode van het ‘genenkanon’ gebruikt, houdt dat niet veel anders in dan het naar binnen schieten van gouddeeltjes waaraan stukjes DNA zijn vastgehecht.
Daar komt nog eens bij, dat ook het promotor-gen (een extra stuk DNA dat met het nieuwe gen wordt “meegestuurd” om zijn buddy in diens nieuwe werkomgeving tot actie aan te zetten) dus ook op een willekeurige plek terechtkomt. Het lijkt erop dat deze ongewisse lokatiekeuze de oorzaak is van de verrassingen die de nieuwe plant in petto heeft. Verder weet men ook nauwelijks of de stukken inactief DNA in de cel die als ‘junk DNA’ of ‘exon’ worden betiteld, wel zo inert zijn als tot dusverre wordt aangenomen. Wat de exacte uitwerking gaat worden van de ingebrachte stukken DNA op de ontvangende plantencel, blijft
dus altijd tot op zekere hoogte een verrassing.