KindjeHet grappige van gentechnologen in dienst van de grote zaad-manipulerende bedrijven is, dat zij hun ingrepen altijd bagatelliseren en zeggen dat er ‘slechts 1 of 2 onschuldige eigenschappen worden toegevoegd’ (of weggelaten) aan/uit het ontvangende gewas. Hetgeen de multinationals overigens niet belet om niet alleen de techniek, maar direct de hele plant maar te patenteren. De problemen beginnen in de genetische modificatie echter niet met het inbrengen van een nieuw stukje DNA, maar met het openknippen van de oorspronkelijke DNA-streng. Dat laatste is een onbestuurbaar proces, waarbij het DNA wordt opengeknipt op alle plaatsen waar een bepaalde volgorde van aminozuren voorkomt. Die volgorde hangt af van de programmering van het enzym dat voor het openknippen wordt gebruikt. Er kunnen dus meerdere open plaatsen ontstaan waar het nieuwe DNA kan ‘landen’.
Daarnaast is het vaststellen of het ‘gewenste’ stukje DNA wel is meegekomen, een zeer belangrijk onderdeel van het proces. In dit stadium vallen heel veel gemanipuleerde cellen al af, wanneer blijkt dat de nieuwe eigenschap niet ‘werkt’. Dat kan komen omdat het juiste DNA gewoon niet is meegekomen, maar het kan ook veroorzaakt worden doordat een ander gen, het promotor gen, het nieuwe gen niet heeft ingeschakeld.
De  beschreven processen zijn voor cis-genese (het inbrengen van DNA uit verwante soorten) en trans-genese (het inbrengen van DNA uit andere soorten) precies hetzelfde. Het is dus niet zo dat cis-genese de integriteit van de cel minder zou aantasten dan transgenese, want de techniek van de manipulatie is in beide gevallen precies gelijk. Er is dus ook geen grond voor de stelling dat cisgenese in dat opzicht acceptabeler zou zijn dan transgenese.

Wanneer is vastgesteld dat de nieuwe eigenschap inderdaad actief is, komt de vraag naar boven wat precies de wisselwerking is tussen het nieuwe stukje DNA en het ontvangende DNA. Die blijkt sterk afhankelijk te zijn van de plaats op het chromosoom waar het nieuwe DNA terecht is gekomen, en veel ingrijpender dan alleen het inbrengen van 1 of 2 nieuwe kralen in een kralenketting zou doen vermoeden.  Alle domino-effecten van het verstoren van de oorspronkelijke DNA-structuur zijn nog nauwelijks in kaart gebracht. Die verstoringen grijpen in op het niveau van de cel-integriteit, die bij de introductie van nieuw DNA wordt geschonden en niet meer wordt hersteld nadien. Een zeer recent voorbeeld in dit verband is het gen KLF14, dat als ‘spelverdeler’ blijkt te fungeren voor een waterval aan andere genen die alle van invloed zijn op zwaarlijvigheid bij de mens. Men kan zich voorstellen wat er gebeurt als dit gen beschadigd raakt of wordt beïnvloed door een modificatie ergens in het overige DNA.

Dr Arpad Pusztai is een wetenschapper die zelfs na zijn pensionering nog werd uitgenodigd om onderzoek te doen aan het Rowett Institute in Aberdeen, Schotland. Hij vergeleek het eiwit lectine in natuurlijke vorm met lectine aangemaakt door een genetisch gemodificeerde aardappel. Muizen die de genetisch gemodificeerde aardappelen aten kregen groeistoornissen en een onderdrukt immuunsysteem, terwijl er niets aan de hand was met muizen die een veelvoud aan natuurlijke lectine gevoerd kregen. Een van Pusztai’s belangrijkste conclusies was daarom: het is niet de natuurlijke lectine die schade oplevert, maar het lectine zoals dat door de genetisch gemodificeerde aardappelen wordt aangemaakt. Daarmee wordt in de eerste plaats de techniek van genetische modificatie in het beklaagdenbankje geplaatst.

Van glyfosaat is bewezen dat deze middelen al in lagere concentraties de embryonale ontwikkeling verstoren, veranderingen in DNA teweeg brengen en dus geboorteafwijkingen veroorzaken. Ook het percentage doodgeborenen stijgt significant. Vanuit Zuid-Amerika is bekend hoe Roundup in de concentraties waarin het vanuit vliegtuigen over grote landerijen gespoten wordt, vooral kinderen toetakelt met huidaandoeningen (zie www.gifsoja.nl)of  zelfs ombrengt, zie Soja Paraguay. Aangezien de afbreekbaarheid ervan nogal tegenvalt (het middel blijft meerdere jaren werkzaam), komt Roundup dat op voedselgewassen wordt gespoten onherroepelijk ook in de voedselketen terecht.

Van Bt-mais is bekend dat de vruchtbaarheid van de veestapel  sterk vermindert als de dieren met gg-mais worden gevoed. Bij mensen wordt dit aspect  pas sinds kort in Canada nader onderzocht. De werkgroep is van mening dat dit ook in Europa, vanuit het in Europa geaccepteerde voorzorgsprincipe al lang had moeten gebeuren.