Vroeger was elke boer en tuinder overal ter wereld bezig de zaden van zijn gewassen zelf te verzamelen voor de teelt van het volgend jaar. In ontwikkelende landen gebeurt dat nu nog steeds, en zodra er bij het verzamelen (ook) wordt gekeken naar de kwaliteiten van de zaad leverende plant, is er sprake van dezelfde vorm van selectie waar het bij de veredeling ook om draait. Door eeuwenlang op bepaalde kwaliteiten te selecteren, zijn vaak lokale rassen ontstaan die zich optimaal hebben aangepast aan de lokale omstandigheden. Een belangrijke eigenschap van dergelijke landrassen is, dat zij zaadvast geworden zijn. Dat houdt in dat de kinderen van 2 willekeurige ouderplanten vrijwel dezelfde (belangrijke) eigenschappen hebben als de ouders. Zodra men echter stopt met jaarlijks selecteren, gaan eigenschappen van de kinderen van 1 ouderpaar weer verder uit elkaar lopen. Pas kortgeleden heeft men ontdekt dat de kinderen (generatie F1=hybriden) van 2 verschillende ouders (F0) vaak verrassend krachtig zijn en beter presteren dan hun ouders. Het probleem is echter dat de kinderen van F1-hybriden (generatie F2) vaak weer lijken op de grootouders (F0). Ze zijn dus niet zaadvast en zijn qua prestaties ook teruggezakt ten opzichte van hun ouders, de F1-hybriden. Zaad winnen van F1-hybriden heeft dus betrekkelijk weinig zin, want dat zaad is niet uniform! Dit even ter inleiding.

Tegenwoordig laat men in geïndustrialiseerde landen de selectie en productie van zaden aan gespecialiseerde bedrijven over en raakt de kunst van het selecteren steeds verder in onbruik. Frank Morton weet heel helder uit te leggen dat zaadselectie niet alleen nodig is voor veredeling van gewassen, maar ook voor het behoud van de kwaliteit! Stilstand is achteruitgang, zogezegd: zonder jaarlijkse zaadselectie op gewenste kwaliteiten gaan de volgende generaties van een gewas steeds minder presteren. Multinationals proberen langs die weg de traditionele veredeling willens en wetens buiten spel te zetten, door geen energie meer te steken in die jaarlijkse onderhoudsselecties. Ze verkopen slechts een beperkt aantal hybriden (kruisingen) waar je zelf geen bruikbaar zaad meer van kunt winnen, simpelweg omdat vader en moederlijn heel verschillend zijn. Die vader- en moederlijnen (oudergewassen) houden ze netjes achter slot en grendel, en de hybride zaden mag je dus elk jaar opnieuw kopen bij de multinational op de hoek. Als je genetisch gemodificeerde zaden wilt kopen, krijg je bovendien nog een contract onder de neus geduwd waarin je verplicht wordt het bestrijdingsmiddel te gebruiken dat de multinational voor jou heeft uitgezocht. De Amerikaanse boer weet daarvan mee te praten. Als het niet al in de plant zelf wordt geproduceerd, zoals bij Bt-gewassen, moet je dus ook het bestrijdingsmiddel aanschaffen dat bij het gewas hoort. En raad eens waar je dat kunt krijgen? In het winkeltje van dezelfde multinational!
Vergeet ook niet te kijken naar Dr. Alan Kapuler (onderste video), die uitlegt hoe belangrijk het is om de kunst van het selecteren weer onder de knie te krijgen, om onze eigen gewassen te kunnen blijven verbouwen en niet afhankelijk te worden van de hybriden van een klein aantal multinationals. Zie ook het boek Return to Resistance  van Raoul A. Robinson. Uiteindelijk zullen onze eigen zaden een cruciale factor blijken bij het behoud van onze voedselzekerheid, een onderwerp waarvoor multinationals geen interesse kunnen opbrengen. Die willen alleen schaarste, want dat brengt geld op. Met het vullen van de Svalbard Seed Vault anticiperen de multinationals al op de komende schaarste. Weer een argument dus voor het terugbrengen van de kleinschaligheid in de landbouw, want daarmee behouden we onze onafhankelijkheid! ‘Eigen zaden eerst‘, zou Wil Braakman uit Schagen zeggen…