Er zijn in Nederland 3 ministeries die verantwoordelijk zijn respectievelijk:

  • voor voedselveiligheid (VWS), het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
  • voor diervoederveiligheid (LNV), het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en
  • voor milieuveiligheid (VROM), het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu.

VWS, LNV en VROM bestrijken samen het gebied van gentechnologie en GGO’s en hebben daarom ook samen het Loket GGO markttoelatingen ingesteld. Dit valt onder het Bureau GGO, dat is geplaatst bij het Stoffen Expertise centrum (SEC) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM ). Voor het werken met GGO’s gelden onder andere het Besluit Genetisch Gemodificeerde Organismen van de Wet milieugevaarlijke stoffen en de ministeriële ‘Regeling ingeperkt gebruik genetische gemodificeerde organismen’. Deze regeling onderscheidt 3 risiconiveaus, die aangeven of instellingen met hun proeven in het laboratorium moeten blijven, of dat ze ook buiten mogen spelen. Het ministerie van VROM kijkt naar de milieurisico’s en verleent de vergunningen in het kader van het GGO-besluit voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Voor het bekijken van de lokaties van de veldproeven klikt u hier. Het ministerie van LNV houdt zich met name bezig met de promotie van de biotechnologie als bedrijfstak; het bewaken van de GG-voedselveiligheid is wat op de achtergrond geraakt de afgelopen jaren. Tenslotte is er nog de COGEM, een commissie die de minister ondersteunt bij de meningsvorming rond de milieuaspecten van het beleid dat in Europa wordt gehanteerd bij de toelating van nieuwe GGO’s.

Sinds april 2004 is de Europese Verordening EC/1829/2003 van kracht, voor aanvragen voor toelating

  • van levensmiddelen en diervoeders die geproduceerd zijn met ggo’s of bestaande uit ggo’s, de zg. Food toestemming
  • van import en teelt van levende ggo’s (deze laatste categorie kan ook nog steeds worden aangevraagd onder de Richtlijn 2001/18/EC), de zg. teelt- en verhandeltoestemming, ook wel Risico-beoordeling voor introductie in het milieu genoemd

Een lijst van de in Europa toegelaten ggg’s staat hier. De meest recente toelatingen staan daar nog niet bij. Voor gg-gewassen die niet zijn toegelaten geldt een zg. nul-tolerantie. Dat houdt in dat partijen waarin bv. sporen van niet-toegelaten gg-zaden worden aangetroffen, gewoon niet geïmporteerd mogen worden.
In Nederland moeten commerciële teelten van in Europa toegelaten gg-gewassen worden worden geregistreerd in de GGO-database van VROM. De telers moeten hun ggg-teelten dus aangeven bij  VROM. Tot op heden zijn er in Nederland echter nog betrekkelijk weinig toegelaten gg-gewassen als commerciële teelt officieel geregistreerd*). Wel worden er al grote hoeveelheden gemodificeerd veevoer geïmporteerd. Een van de weinige, feitelijk voor commerciële teelt gebruikte mais-rassen is de Bt-maisvariëteit MON810 (in feite een Btk-variëteit, omdat het gaat om insectwerende eigenschappen geproduceerd door een gen van de Bacillus thuringiensis subspecies kurstaki), die van 1998 tot 2008 was toegelaten. Daarna is er een moratorium ingesteld omdat een aantal landen bezwaren opwierp tegen verlenging van de vergunning. Een hernieuwde vergunning is daardoor ook nog steeds niet door de Europese Commissie afgegeven.

Op het moment heerst er een impasse tussen Europese landen over de vraag op welke manier met genetisch gemodificeerde gewassen (ggg’s) moet worden omgegaan. Resultaat is dat de Europese Commissie in afwachting van een nieuwe toelatingsprocedure nu zelf knopen doorhakt over de toelating van nieuwe ggg’s, zoals bv. de 3 nieuwe vergunningen van 30 oktober, voor MON88017, MON89034  en 59122xNK603, (for food and feed uses and import and processing). Op 29 november volgde de MIR604 van Syngenta.

Er zijn verschillende landen die  weinig op hebben met het toelaten van de teelt van ggg’s zonder adequaat onderzoek naar de milieu- en gezondheidsrisico’s. De vraag van de dwarsliggende landen is: wordt er eigenlijk wel voldoende gekeken naar de mogelijke schade op langere termijn, op het gebied van gezondheid en milieu? De rol van de Europese voedsel- en warenautoriteit EFSA wordt in dat verband nogal kritisch bekeken. Voeren ze wel voldoende onafhankelijk onderzoek uit, of praten ze voornamelijk de bedrijfsonderzoeken na die ze op het bureau krijgen? Natuurlijk wel makkelijk, die kant en klare onderzoeken, dat scheelt een hoop tijd en moeite, en dus ook geld. Maar hoe onafhankelijk zijn die bedrijfsrapporten nu eigenlijk? Dat dat wel eens tegen kan vallen ondervond minister Verburg op 18 september jl., toen bleek dat het positieve oordeel over gentechgewassen dat ze naar de 2e Kamer had gestuurd een samenvatting bleek te zijn van een onderzoeksrapport bekostigd door Monsanto. Die samenvatting had ze ontvangen uit de handen van professor Bino uit Wageningen. Betrouwbare informatie is toch goud waard, nietwaar?

Minister Verburg van LNV geeft graag positieve informatie over gentech, want ze vindt het erg belangrijk dat de biotechnologie in Nederland de wind in de zeilen heeft. Ze heeft geleerd dat dat allemaal werkgelegenheid is! Het verzet van consumenten tegen de risico’s van gg-gewassen plaatst ze onder het kopje ‘Emoties’ en ervaart dat maar als lastig. De gg-gewassen zijn er toch al, wat zeuren die consumenten nog? Ze zou graag zien dat de discussie over gg-gewassen zich niet meer beperkt tot veiligheid, maar ook sociaal-economische factoren in de beschouwing betrekt. ‘Dan kunnen we eindelijk gaan praten over argumenten die er werkelijk toe doen, zoals werkgelegenheid’ (zucht).

Toch rijzen er steeds opnieuw vragen over de giftigheid van middelen die in relatie tot de verbouw van gg-gewassen moeten worden gebruikt, zoals Roundup, Liberty en Basta. Voor het middel glufosinaat (gebruikt in Basta en Liberty) geldt dat dit zo giftig is dat het in Europa op de nominatie staat om verboden te worden! Als glyfosaat nu even giftig is als glufosinaat, waarom wordt glyfosaat dan niet verboden?

*) Vraag van de werkgroep: Wordt deze database wel een beetje bijgehouden?