Hoe komen we aan voedsel als we geen olie meer hebben
– om het land te bewerken met tractoren,
– om voedsel te kunnen transporteren  (soms zelfs vanaf de andere kant van de aardbol),
– om kunstmest en bestrijdingsmiddelen te kunnen produceren?

In feite is de oplossingsrichting heel eenvoudig: het bodemleven op krachten laten komen door organisch bemesten, veel meer variatie in gewassen aanbrengen, veel gewassen combineren, lokale kringlopen sluiten en lokaal produceren zodat we de auto kunnen laten staan.

Het voedsel dat we op die wijze produceren is bovendien nog eens veel hoger in kwaliteit: het verdient het predicaat VOLWAARDIG, omdat het in veel hogere mate alle componenten bevat die de mens nodig heeft om zich te voeden, en geen ballast waar ons menselijk systeem (in het gunstigste geval) niets mee kan of dat (in het ergste geval) zeer schadelijk is.

Om dat voedsel zonder kwaliteitsverlies op ons bord te krijgen, hoeven we het alleen maar  te snijden en te bereiden. Als we dus kunnen voorkomen dat de voedselindustrie ons voedsel eerst in handen krijgt om het fabrieksmatig te bewerken en te versnijden met allerlei toevoegingen,  dan slaan we daarmee 3 vliegen in 1 klap:
– niet alleen blijft de kwaliteit van ons voedsel behouden,
– maar ook worden de afvalbergen van verpakkingsmateriaal veel lager en
– we voorkomen dat ons voedsel duurder wordt door overbodig transport en door de tussenhandel.

Op die manier hoeft alleen nog de boer eraan te verdienen. Dat laatste is weer belangrijk om een redelijke prijs voor de consument te combineren met een redelijke beloning voor de producent. Dit alles veronderstelt wel dat de consument veel meer aandacht aan zijn voedsel gaat besteden en een beetje gaat nadenken over waar hij zijn voedsel koopt en waar het vandaan komt. Hij zou zelfs kunnen overwegen te gaan meewerken op het boerenbedrijf waar zijn voedsel wordt verbouwd, of in samenwerking met de gemeente een buurtmoestuin op te zetten waar hij zijn voedsel zelf verbouwt.

Van deze kant bekeken, zou het opraken van de olie voor ons ook een ‘blessing in disguise’ kunnen betekenen.
We hebben het dan nog niet eens gehad over het omvallen van een geldsysteem dat kunstmatig in leven wordt gehouden met belastinggeld, door banken overeind te houden die maar niet willen snappen dat ze niet in de eerste plaats bedoeld zijn om bobobonussen uit te betalen aan bobo’s die menen dat ze nog recht hebben op iets extra’s, voor de windhandel die ze op hun conto hebben geschreven.

Nu naar de film ‘Farm for the future’. Hierin denkt Rebecca Hoskin na over hoe we in de (waarschijnlijk zeer nabije) toekomst ons voedsel zullen moeten produceren als de olie op is. Haar conclusies zijn kortweg de volgende:

Als we direct beginnen de bodem zijn eigen vruchtbaarheid en veerkracht terug te geven  (door het bodemleven weer te stimuleren met organische vormen van bemesting, mulching en af te zien van kerende grondbewerking)
– kunnen we het ploegen achterwege laten, door de regenwormen en vele andere bodemdiertjes de grond te laten omwoelen;
– kunnen we kunstmest en pesticiden verder op de plank laten staan, door bacteriën en schimmels de gelegenheid te geven hun werk doen: het beschikbaar maken van voeding voor de planten.

Als we dan bovendien het idee eens loslaten dat  monocultures onmisbaar zijn, dan
– kunnen we zonder vooroordeel bekijken welke landbouwsystemen ons verder nog ten dienste  staan voor het produceren van ons voedsel en
– kunnen we de biodiversiteit terugbrengen in onze landbouwsystemen en
– kunnen we meer opbrengst van hetzelfde oppervlak afhalen, met minder oogstrisico.

Als we tenslotte ook nog besluiten ons voedsel dicht bij huis te produceren, hebben we tegen die tijd
– vrijwel geen tussenhandel en
– vrijwel geen olieproducten meer nodig.

Natuurlijk zal de overgang naar een olieloze landbouw niet meevallen, maar het kan wél.
Een belangrijke randvoorwaarde daarbij is dat oliemaatschappijen hun centjes niet meer in nieuwe exploraties blijven steken, maar topprioriteit geven aan de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen. En heel snel graag, want zoveel tijd hebben we niet meer.

Wat echter nog veel belangrijker is, is de banken en overheden te disciplineren om alternatieve ontwikkelingen te ondersteunen met kredieten en niet te wachten totdat internationale organisaties allerlei extra garanties willen geven om banken uit de wind te houden. Het is de hoogste tijd dat er werkelijk toezicht komt op de wijze waarop ons belastinggeld wordt aangewend.